Naar de oefeningen
‘Op de fiets/Pedalando’ : een fietstocht door de Nederlandse grammatica.
Waarom deze titel? De fiets is het vervoermiddel bij uitstek in Nederland en in Vlaanderen. Als je op de fiets zit, kan jij zelf kiezen om sneller of langzamer te gaan al naar gelang je interesse in de omgeving, maar je kan ook even afstappen om iets meer in detail te bekijken. Hetzelfde kan je doen, wanneer je door deze cursus fietst: snel oefeningen overslaan, maar ook meerder oefeningen bij een onderwerp maken.
Deze cursus on line bestaat uit 123 Hot Potatoes – oefeningen en is ontworpen als extra oefenmateriaal bij het boek Grammatica neerlandese di base di Dolores Ross e Elisabeth Koenraads (Hoepli 2007). Dat neemt niet weg dat een ieder die in het bezit is van een grammatica Nederlands voor beginners de oefeningen kan maken. Keuze en volgorde zijn vrij.
Ik heb slechts gedeeltelijk rekening gehouden met de richtlijnen van het Common European Framewrok of Reference for Languages, niveau BI, en met het Basiswoordenboek van Piet Kleijn.
Dit omdat de cursus in de eerste plaats bestemd is voor de studenten aan de Tolk- en Vertalersopleiding van de universiteit van Triëst. In hun professionele toekomst wordt van hen vooral optimale passieve vaardigheden verlangd. Daarom bevat deze cursus, naast eenvoudige basisoefeningen, ook oefeningen met een ingewikkeldere syntaxis en met een hoger register. Veel van onze studenten bereiden zich voor op een baan bij de internationale instellingen en bepaalde woorden en uitdrukkingen uit de politieke en economische sector worden al in de eerste oefeningen aangeboden.
Ik heb besloten de moeilijkheidsgraad niet aan te geven, omdat die volgens mij niet alleen subjectief is maar ook van de leeromstandigheden afhangt.
Bij sommige oefeningen krijgt de student een score; dat maakt deel uit van het spel.
Enkele raadgevingen voor de studenten: gebruik altijd een woordenboek! Een goede beheersing van de woordenschat is belangrijk; het opzoeken van woorden helpt ook automatische reacties te voorkomen, die zo kenmerkend zijn voor grammaticale oefeningen. Pas op bij het gebruik van hoofdletters en leestekens; deze worden gecontroleerd.
En tenslotte: iedere docent weet dat de fouten in nieuw didactisch materiaal pas bij gebruik aan den dag komen. Aangezien deze cursus nog nooit gebruikt is, verzoek ik alle collega’s en studenten mij opmerkzaam te maken op technische en inhoudelijke fouten.
Ik dank Marian Goossens, docente aan het Centrum voor volwassenenonderwijs van de Kamer voor Handel en Nijverheid te Brussel en auteur van on line NT2-lesmateriaal, die mij de beginselen van het programma Hot Potatoes heeft bijgebracht.
Elisabeth Koenraads
mail: ekoenraads@units.it
Oefeningen
1 Spelling
- Lettergreepverdeling
- Samenstellingen
2 Het persoonlijke voornaamwoord en de presens van het werkwoord
- Persoonlijk voornaamwoord subject + object
- Persoonlijk voornaamwoord onderwerp subject
- Persoonlijk voornaamwoord lijdend object
- Persoonlijk voornaamwoord direct en indirect object
- Stam van het werkwoord
- Presens van ‘hebben’ en ‘zijn’
- Presens 1
- Presens 2
- Presens 3
- Presens 4
3 De woordvolgorde in de enkelvoudige zin
- Bevestigende zin
- Bevestigende zin a
- Bevestigende zin b
- Bevestigende zin c
- Bevestigende zin d
- Bevestigende zin e
- Inversie
- Inversie a
- Inversie b
- Inversie c
- Inversie d
- Inversie e
- Vraagzin
- Imperatief 1
- Imperatief 2
4 Het zelfstandig naamwoord
- Meervoud 1
- Meervoud 2
- Meervoud 3
- Meervoud 4
- Diminutief 1
- Diminutief 2
5 Het lidwoord
- Bepaald lidwoord
- Gebruik lidwoord 1
- Gebruik lidwoord 2
6 Het aanwijzend en bezittelijk voornaamwoord
- Aanwijzend voornaamwoord 1
- Aanwijzend voornaamwoord 2
- Aanwijzend voornaamwoord 3
- Aanwijzend voornaamwoord 4
- Identiteitsconstructie
- Bezittelijk voornaamwoord 1
- Bezittelijk voornaamwoord 2
7 Het adjectief
- Adjectief 1
- Adjectief 2
- Adjectief 3
- Adjectief 4
- Adjectief 5
- Comparatief en superlatief
8 De woordvorming
- Vrouwelijke vorm
- Vorming adjectief 1
- Vorming adjectief 2
9 De verleden tijd van het werkwoord
- Tijden regelmatig werkwoord
- Regelmatig imperfectum 1
- Regelmatig imperfectum 2
- Regelmatig perfectum
- Tijden onregelmatig werkwoord
- Onregelmatig imperfectum
- Onregelmatig perfectum
- Keuze hulpwerkwoord 1
- Keuze hulpwerkwoord 2
- Adjectief deelwoord 1
- Adjectief deelwoord 2
10 Het passief
- Passief 1
- Passief 2
11 De toekomstige tijd en de modale werkwoorden
- Toekomstige tijd en modaal werkwoord 1
- Toekomstige tijd en modaal werkwoord 2
- Toekomstige tijd en modaal werkwoord 2a
- Toekomstige tijd en modaal werkwoord 2b
- Toekomstige tijd en modaal werkwoord 2c
- Toekomstige tijd en modaal werkwoord 2d
- Toekomstige tijd en modaal werkwoord 2e
- Perfectum modaal werkwoord
12 Het bijwoord
- Bijwoord
13 De ontkenning
- Ontkenning 1
- Ontkenning 2
- Ontkenning 3
- Ontkenning 4
14 Het partikel 'er'
- Er 1
- Er 2
- Er 3
15 De zinsontleding
- Woordsoorten 1
- Woordsoorten 2
- Zinsdelen 1
- Zinsdelen 2
16 Het voorzetsel
- Voorzetsel 1
- Voorzetsel 2
- Voorzetsel 3
- Persoonlijk voornaamwoordelijk bijwoord 1
- Persoonlijk voornaamwoordelijk bijwoord 2
- Persoonlijk voornaamwoordelijk bijwoord 3
- Aanwijzend voornaamwoordelijk bijwoord
17 Het onbepaalde en vragende voornaamwoord
- Onbepaalde voornaamword
- Vragend voornaamwoord
- Vragend voornaamwoordelijk bijwoord
18 Het telwoord
- Hoofdtelwoord 1
- Hoofdtelwoord 2
- Rangtelwoord
- Klokkijken
- Maten en tijden
19 Het samengestelde werkwoord
- Samengesteld werkwoord 1
- Samengesteld werkwoord 2
- Samengesteld werkwoord 3
- Samengesteld werkwoord 3a
- Samengesteld werkwoord 3b
- Samengesteld werkwoord 3c
- Samengesteld werkwoord 3d
- Samengesteld werkwoord 3e
- Samengesteld werkwoord 4
20 Het wederkerend werkwoord
- Wederkerend werkwoord 1
- Wederkerend werkwoord 2
- Wederkerend werkwoord 2a
- Wederkerend werkwoord 2b
- Wederkerend werkwoord 2c
- Wederkerend werkwoord 2d
21 Het werkwoord van positie
- Werkwoord van positie 1
- Werkwoord van positie 2
22 Het onpersoonlijke en het koppelwerkwoord
- Onpersoonlijk werkwoord
- Koppelwerkwoord
23 Werkwoordgroepen
- Te 1
- Te 2
- Dubbele infinitief 1
- Dubbele infinitief 2
- Aspectualiteit
- Aspectualiteit a (duratief)
- Aspectualiteit b (duratief)
- Aspectualiteit c (duratief)
- Aspectualiteit d (duratief)
- Aspectualiteit e (inchoatief)
24 De woordvolgorde in de enkelvoudige zin
- Volgorde objecten
- Volgorde objecten a
- Volgorde objecten b
- Volgorde objecten c
- Volgorde objecten d
- Volgorde objecten e
- Volgorde objecten f
- Volgorde objecten g
- Volgorde objecten h
25 Het betrekkelijk voornaamwoord en de betrekkelijke bijzin
- Betrekkelijk voornaamwoord 1
- Betrekkelijk voornaamwoord 2 (met impliciete antecedent)
- Betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord 1
- Betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord 2
26 De samengestelde zin
- Nevenschikkende zin
- Voorwerpszin 1
- Voorwerpszin 2
- Onderwerpszin
- Bijzin van tijd 1
- Bijzin van tijd 2
- Bijzin van tijd 3
- Bijzin van causaliteit
- Bijzin van gevolg en doel
- Voorwaardelijke bijzin 1
- Voorwaardelijke bijzin 2
- Voorwaardelijke bijzin 2a
- Voorwaardelijke bijzin 2b
- Voorwaardelijke bijzin 2c
- Voorwaardelijke bijzin 2d
- Bijzin van vergelijking en beperking
- Bijzin van toegeving 1
- Bijzin van toegeving 2
- Impliciete bijzin
27. De woordvolgorde in de samengestelde zin
- Volgorde samengestelde zin 1
- Volgorde samengestelde zin 2
- Volgorde samengestelde zin 3